1. Homepage
  2. Startpagina
  3. Technologie

Meetprincipes van de ifm doorstromings- en stromingssensoren

Magnetisch inductief

De flowsensor uit de serie SM werkt volgens het inductieprincipe van Faraday. Het geleidbare medium dat in een magnetisch veld (M) door een buis stroomt, wekt een spanning op die evenredig is aan de snelheid (v), of de doorstroomhoeveelheid. Via de elektroden (E) wordt deze spanning gemeten en in verwerkingselektronica verwerkt. Dankzij de resistente materialen is de sensor geschikt voor een groot aantal media. Een hoge beschermklasse en een robuuste, compacte behuizing kenmerken de sensor in de praktijk.

Het meetprincipe is geschikt voor vloeistoffen met een elektrische geleidbaarheid van minstens 20 µS/cm. Typische waarden voor de elektrische geleidbaarheid zijn 0,5 µS/cm voor gedestilleerd water, 50 µS/cm voor drinkwater en 50.000 µS/cm voor zout water.


ISO-kalibratiecertificaat voor flowsensoren SM: ZC0052

Magnetisch-inductieve flowsensoren, bouwvorm SM

Vortex-meetprincipe

Via een delta-vormig element dat in de meetbuis is gemonteerd, produceert het stromende medium (water met en zonder geleidbaarheid) afhankelijk van zijn snelheid wisselende wervelingen die door een piëzo-keramische sensor worden gedetecteerd. Bij bekende diameters kan uit het aantal wisselende wervelingen de doorstroomhoeveelheid worden berekend.
Deze methode om de doorstroming te meten, die bekend staat als het Vortex-principe, is grotendeels onafhankelijk van druk- en temperatuurschommelingen van het medium.

Mechatronisch meetprincipe

De stromingssensor werkt volgens het principe van de veer-ondersteunde zuiger: Een zuiger die in de klepzitting van een behuizing zit wordt door het stromende medium, tegen de veerkracht in, omhoog gedrukt.
De bepaling van de zuigerpositie vindt plaats via een magnetisch inductieve sensor en wordt als analoog signaal uitgegeven. De veerkracht zorgt ervoor dat de zuiger bij afnemende stroming in de uitgangspositie wordt teruggezet. Hiermee is de stromingssensor onafhankelijk van de positie gemonteerd en wordt terugstroming voorkomen.
Door een andere robuuste mechanische uitvoering (SBT) is toepassing bij hoge temperaturen tot 180 ºC en in ruwe industriële omgevingen mogelijk.

Ultrasoon meetprincipe

Ultrasone sensoren bestaan uit omvormers (rechts in afbeelding) die geluidsimpulsen uitzenden en ontvangen en uit reflectoren (links in afbeelding) die de impulsen van de ene omvormer naar de andere leiden. Er wordt een impuls door het medium gestuurd,een sensor meet de looptijd van de ene omvormer naar de andere. Vervolgens wordt een impuls in de tegenovergestelde richting gestuurd. De sensor meet het tijdsverschil (op een schaal van nanoseconden) en berekent de doorstroomhoeveelheid.


ISO-kalibratiecertificaat voor flowsensoren SU: ZC0053

Calorimetrisch meetprincipe

De bouwvormen SA en SI zijn voorzien van twee meetelementen en een warmtebron.
Het referentie-element, dat 10 mm boven het onderste deel is aangebracht, meet de mediumtemperatuur en is bedoeld voor de temperatuurcompensatie. Het temperatuurverschil met het element op het onderste deel wordt constant gehouden door de warmtebron die zich daar bevindt. Het vermogen dat nodig is om dit verschil constant te houden is evenredig aan de stromingssnelheid. Een stijgende stromingssnelheid veroorzaakt een sterkere warmteafvoer.

De persluchtverbruiksmeter SD maakt gebruik van hetzelfde thermische principe. Een van zijn keramische meetelementen is verwarmd (meetelement), het andere niet (referentie-element). Het spanningsverschil dat ontstaat bij de warmteafvoer via het stromende medium, is de maat voor de stroming.

De normvolumestroom wordt rechtstreeks gemeten (conform ISO 2533).